Dit is werkelijk een prachtig boek. De Poolse schrijver Andrzej Stasiuk schrijft over zijn reizen door Roemenië, Oekraïne, Hongarije, Slowakije, Moldavië en Albanië. Onderweg naar Babadag is een echte aanrader. Goed geschreven, mooi uitgegeven en goed vertaald. Stasiuk heeft een echt mooie stijl. Om dát te laten zien plaatsen we hieronder stukje uit het boek.
Pagina 32 uit onderweg naar Babadag:
Vandaag zijn tegenover mijn huis vier mannen bezig geweest met het verzamelen van hout. Ze trokken losse dennenstammen naar de bosrand en als ze er drie of vier hadden verzameld laadden ze de stronken op een verlengde kar. Ze werkten als dieren, traag en monotoon, waarbij ze dezelfde handelingen en gebaren verrichtten als honderd, tweehonderd jaar geleden. De afrit was lang en steil. Zich aan de rong vastklampend probeerden ze de vaart van het voertuig af te remmen. Door de rem geblokkeerd gleden de wielen door de vochtige klei. Geharnast in hun versleten jacks en anoraks zagen ze eruit alsof ze geboetseerd waren van klei. Het regende. De dingen die hen van hun vaders, grootvaders en overgrootvaders onderscheidden waren een Zweedse benzinezaag en wegwerpaanstekers. Ja, en de kar had rubberen wielen. De rest was sinds twee- misschien wel driehonderd jaar onveranderd gebleven. Hun geur, hun inspanning, de verzuchtingen, hun bestaan vulden een sinds mensenheugenis voortdurende vorm. Ze waren net zo eeuwenoud als de twee vossen in het span. Rondom hen strekte zich het als de wereld zo oude heden uit. Bij het invallen van de schemer stopten ze met werken en vertrokken. Hun kleren dampten even hard als de ruggen van de dieren.
We daalden almaar verder tot aan de onbarmhartig versleten hoogvlakte, waar tientallen rode, grijze en gevlekte koeien stonden. Lager begon het dorp al. De eerste huizen waren voorlopig, nogal verspreid en deden eerder aan een zomerkamp denken dan aan een nederzetting. Boven de weg en de rivier verhief zich een met een jong berkenbosje begroeide rotspartij, dat zich op die steile helling wonderbaarlijk staande wist te houden. Enkele tientallen meters boven onze hoofden was een eenzame man bezig met een hakbijl dunne boompjes om te hakken. Vervolgens bond hij ze samen met een ketting en liet ze naar beneden zakken. De bundels schoven onder gekraak en geritsel van losgerukte stenen naar beneden. De echo droeg tot diep in de vallei. Beneden stonden vrouwen en kinderen te wachten om dat allemaal over de rivier mee te trekken en op een handkar te laden. Ze haastten zich absoluut niet. Langs de kant van de weg lagen dekens, er brandde ergens een kampvuur en even verderop lag een in de steek gelaten pop. Hun huis stond enkele tientallen meters verderop, maar ze hadden hier al een volgende, tijdelijke schuilplaats ingericht. Bij het vuur lagen nog restjes eten, plastic flesjes met drinken, een beker en nog iets, maar we wilden er niet al te nadrukkelijk naar kijken. Een bundel bleef halverwege de rotswand hangen en de man liet zich langzaam naar beneden zakken om het los te wrikken.
Het begon te regenen toen we al weer thuis waren. Ik zat bij een open zolderraam. Ik hoorde hoe de druppels op het dak en de bladeren van de boven de binnenplaats woekerende druivenstokken beneden me vielen. De vale bergen in het zuiden werden donker als een stuk doek waar vocht in trok. Een kudde witte geiten zocht bescherming in het struikgewas.
Onderweg naar Babadag,
roman, reisverhaal Oost-Europa